Tegen alle verwachtingen in was er op zondagavond nog steeds in geen velden of wegen een teken van een nakende bevalling te bespeuren. Telkens weer had de gynaecologe een afspraak gemaakt met de boodschap: “maar ik verwacht niet om je dan nog te zien hoor”, en telkens weer waren we op de afspraak aanwezig. En dus werd het zondag, de dag waarop ik binnen moest als de kinderen er echt nog steeds niet zouden zijn.
Om 18u aten we samen nog een warme maaltijd, in een poging te beseffen dat dit ‘onze laatste keer alleen’ was. In praktijk was het meer een haastig binnenlepelen zonder smaak, en ik kan me ondertussen al in de verste verte niet meer herinneren wat we toen gegeten hebben. Om 18u30 was alles ook al opgeruimd en klaar, en hoewel ik pas tegen 20u in het ziekenhuis moest zijn, besloten we toch maar te vertrekken. Wat doet een mens anders, enkele uren voordat je leven drastisch zal veranderen omdat er plots twee compleet nieuwe wezentjes zullen bijkomen?
Aan het onthaal van de dienst Spoed vragen de verplegers altijd waar je voor komt. “Ik kom bevallen”, mocht ik zeggen; en het klonk zeer vreemd. Na de nodige paperassen en een onthaalbrochure (het leek wel een hotel waar ik werd ingecheckt) werden we tot onze verbazing al naar het verloskwartier gebracht. Daar was een kamer met bed en tv, en één klein plastic bakje op wieltjes. Daar zou –vermoedelijk – binnen de 24 uur een mensje in liggen dat niemand tot nu toe had gezien, maar er toch was, diep onder mijn huid. Meer nog: er zouden er twee zijn…
Het bed zelf hadden we eerder op een rondleiding gezien. Onder het hoeslaken verscholen lag een matras in verschillende delen die uitgeschoven, weggenomen of verplaatst konden worden: een arbeidsbed dat omvormbaar was tot bevallingsbed dus. Het voordeel ervan is dat je op het ultieme moment niet meer van plaats moet veranderen en je bovendien in een iets knussere omgeving ligt dan op een echte bevallingstafel. En ik mocht er al onmiddellijk gaan opliggen voor een monitor, waar weer het nodige gezoek en gespuit met de prutbus aan te pas kwam. Een klein half uur later werden we aan ons tweetjes overgelaten, Pablo op mijn bevallingsbed, ikzelf in de zetel, gapen naar de tv (voor het eerst in jaren nog eens verschillende posten waarlangsheen we konden zappen) en knabbelend van een chocoladewafeltje in een poging de avond toch nog een allure van gezelligheid te geven.
Rond 9u30 zaten we allebei te draaien. Het leek alsof er nog vanalles moest worden gezegd, maar toch wisten we niet meer wat gezegd. Pablo leek te wachten op toestemming om naar huis te mogen gaan. Ik was er eerlijkgezegd niet kwaad om, want ook al had ik er vooraf zo’n drama van gemaakt dat we die laatste avond niet samen konden doorbrengen, nu leek elkaars aanwezigheid meer een druk dan een deugd. En dus ging Pablo naar huis en begon ik in een nieuw boek van Dimitri Verhulst. Afwisselend tussen boek en tv (het was toch maar een kale, kille ruimte en de tv bracht er nog een beetje sfeer in), bleef ik wakker tot middernacht, en ging dan slapen alsof er de volgende dag niets speciaals op het programma stond. Hoe kan je ook beseffen wat het is om van twee mensen alleen naar een heus gezin over te gaan? Hoe kan je beseffen dat je de volgende dag gaat bevallen en wat dat inhoudt als je het nog nooit hebt gedaan? De liefdevolle smsjes van Pablo, mijn ouders en mijn zus brachten wel een beetje spanning, maar uiteindelijk was ik gewoon, net zoals altijd, moe, en het feit dat ik de halve nacht wakker was, lag alleen maar aan het slechte bed met zijn uitpriemende onderdelen.
De volgende ochtend was ik kort na 6u al wakker, en genoot van de zon buiten, de vogels en de verwachting die in de lucht hing. Ontbijt en ander eten zou ik niet krijgen tot op het ogenblik dat de kinderen er waren, maar ik had ook in de verste verte geen honger.
Om 7u kwam de vroedman mij wekken. Hij raadde me een douche aan ‘om mij fris te maken voor de arbeid’, en door die woorden begon ik toch een beetje te beseffen wat er die dag zou gebeuren. Na de douche trok ik alvast het T-shirt van Pablo aan waarin ik van plan was te bevallen, en na enig overpeinzen toch ook nog maar een onderbroek en pyamabroek. Voor de aangeraden wollen kousen was het zo vroeg op de ochtend al veel te warm.
Ik was net terug op de kamer toen Pablo aankwam, die zichzelf met enkele koffiekoeken voor de onbekende dag had gewapend. Een vroedvrouw kwam zich voorstellen, de monitor werd weer aangesloten, en heel langzaam begon het te dagen: ik was op weg naar een heuse, echte bevalling.
Rond 8u kwam de gynaecologe opgewekt en vrolijk binnen. Er moest natuurlijk nog eens gezegd worden hoe vreemd het wel was dat ze de bevalling nu nog moest inleiden, en de vroedvrouwen reageerden zoals gewoonlijk heel verbaasd. Ze stelde dan voor om eerst de vliezen te breken, en te zien of dat voldoende zou zijn om de arbeid in gang te zetten. Die kans was waarschijnlijk, omdat ik toch al 3 cm ontsluiting had. Als er tegen 9u nog niets was veranderd, dan zou een baxter worden aangesloten.
De vliezen breken leek verdacht simpel en mechanisch voor zoiets groots als een geboorte. Met een simpel plastic pennetje werd de vruchtzak gewoon doorprikt als een waterballon. Makkelijk ging het evenwel niet, “want het ene hoofdje zit echt al heel laag,” aldus de gynaecologe. Het bleef zo vreselijk vreemd dat zij al het kind kon voelen dat voor Pablo en ikzelf nog zo onbekend was.
Toch voelde ik na korte tijd het voorspelde stroompje warm water langs mijn dijen lopen; veel warmer overigens dan ik blijkbaar had verwacht. En rond 8u30 voelde ik al wat getrek links en rechts in mijn buik en rug. Zouden de kinderen er dan werkelijk aankomen?
Om 9u voelde de vroedvrouw al 4 cm ontsluiting en belde ze de gynaecologe op met de boodschap dat alles in gang was gekomen en het nu even afwachten was of de arbeid zich verder doorzette. De gynaecologe liet weten dat ze in haar middagpauze wel eens langs zou komen om te zien hoe het ging.
Nauwelijks een kwartier daarna kreeg Pablo telefoon van onze dakwerker. De man had zijn werk al weken uitgesteld (ondanks onze herhaaldelijke aandrang om alles klaar te hebben vóór de geboorte van onze kinderen, en dan toch vooral het lawaaierige werk) en uitgerekend vandaag was hij komen opdagen, en had hij ontdekt dat hij zijn bouwplan kwijt was! Omdat ik de man echt graag kwijt wou vooraleer ik met de kinderen terug thuis was, en omdat de vroedvrouw Pablo garandeerde dat het echt nog wel een tijd zou duren vooraleer de kinderen er waren, ging Pablo dan toch zo snel mogelijk het plan brengen. Op één of andere manier besefte niemand hoe hilarisch de situatie eigenlijk was. We waren opmerkelijk kalm en de sfeer was ontspannen, een feestje bijna.
Ik had ook totaal geen besef van tijd. De vroedvrouw kwam om het half uur even langs, en telkens als ze binnen kwam had ik de indruk dat er nauwelijks vijf minuten waren gepasseerd. Het was even voor 10 toen de vroedvrouw mij duidelijk maakte dat het enorm irritante en vermoeiende gevoel dat ik om de zoveel tijd in mijn rug had, weeën waren. Terwijl ik nog wachtte op buikpijn en geen blijf wist met die pijnlijke rug, bleek de arbeid al in gang gezet. Blijkbaar heeft een beperkt aantal vrouwen enkel rugweeën. Ik wist er wel van, maar ik was er niet op voorbereid. En er leek ook niets tegen te doen. Ik had de neiging te vragen om mijn wervels even terug op de juiste plaats te duwen, zo voelde het. Pijnlijk, maar zo veraf van mijn buik waarin de kinderen nog druk bewogen en stampten.
Omdat de weeën blijkbaar frequenter waren dan ik mij realiseerde, wou de vroedvrouw nog maar eens checken, en bleek dat ik al 6 cm ontsluiting had. Met een redelijk serieus gezicht sprak ze van ‘hoog tijd voor epidurale’ en vroeg of ik mijn man kon verwittigen. Uiteraard heb ik toen snel Pablo opgebeld, en werd ik met bed en al naar de wachtruimtes van de operatiezaal gebracht, waar de anesthesist de epidurale zou geven. Schrik voor de spuit heb ik nooit gehad (het kwam zelfs niet bij me op), maar ik vond het wel erg jammer dat dit moest. Ik heb meestal minder pijn dan anderen bij dezelfde kwaal, en ik weet dat ik ook goed de pijn die ik dan toch heb kan verdragen. Ik had dus het vage idee dat ik een bevalling wel zou doorkomen. Maar als het dan toch keizersnede werd, wou ik die wel bewust meemaken, en dus stemde ik met de epidurale in.
Het koste de vroedvrouwen nog een ogenblikje om de anesthesist ervan te overtuigen dat speciale geruststellingen niet nodig waren. Ongerust was ik inderdaad absoluut niet, maar het was wel een erg ongemakkelijke houding waarin ik mij moest plaatsen: voorovergebogen op de rand van het bed, met mijn buik tussen mijn knieën (voor zover die er nog tussen raakte – dat leek niet meer het geval, ik zat compleet stram), en ik kon ook niet meer op mijn rug duwen als ik pijn voelde opkomen. Die pijn werd overigens ook wat heviger, al was ik erg verbaasd toen de vroedvrouw mij liet puffen, en mij dus blijkbaar al in dat stadium van de bevalling achtte. Toen de epidurale verdoving, begeleid met de nodige grapjes, was gezet, vroeg de anesthesist of ik nog pijn had. “Het gaat prima”, zei ik tussen twee weeën door, waarop de vroedvrouw moest grinniken: “Mieke, het is de bedoeling dat je nu eerlijk bent zodat we de werking kunnen controleren.” Aha! “Nee, het is nog absoluut niet beter”. Onvoorstelbaar dat een mens zich zelfs op zo’n intens en drastisch moment als een bevalling nog sterk wil tonen.
Aangestaard door een hoop verdwaasde mensen die van hun operatie en verdoving lagen te bekomen, werd ik terug naar boven gebracht, waar Pablo me toch al een beetje nerveus stond op te wachten.
“En?”
“Sja, het gaat blijkbaar snel.”
De weeën gingen ook snel. Terwijl de werking van de epidurale nog op zich liet wachten, vond Pablo verbazend snel een methode om me er door te helpen: terwijl ik mijn ogen sloot en me probeerde te concentreren op rustig blijven, keek hij naar de monitor, en zei zoiets als ‘nog even, nog even’ tot op het ogenblik waarop hij het cijfer zag dalen. Vanaf het ogenblik waarop hij zei ‘het zakt’, voelde ik me alsof ik de wee al overwonnen had, ook al deed het ook toen nog een flink eind pijn. Maar psychologisch was het schitterend.
Ondertussen was het al 11u, en met een frons op het hoofd kwam de vroedvrouw weer eens checken. “8,5 cm!”, klonk het. En vrolijk: “Je bent er bijna!”
Ik was toch wel opgelucht dat ik de epidurale toen ook langzaam begon te voelen werken. Dat wil zeggen: rechts. Aan de rechterkant voelde ik namelijk zo goed als niets meer, maar links voelde ik nog elke wee, zij het in verminderde staat. Ik besefte toen al hoeveel bewondering ik heb voor vrouwen die het zonder doen. Niet dat iemand dat van mij hoeft te doen, maar het is toch sterk als je zoiets doorkomt.
Ondertussen ging het razendsnel door naar de 10 cm ontsluiting en werd mijn bed omgebouwd tot bevallingsbed. Ik realiseerde me toen pas hoe handig dat wel was. Er werd ook een baxter aangesloten, om de weeën op gang te houden eens het eerste kindje zou geboren zijn. De gynaecologe had vooraf al verteld dat het wel vaker gebeurt dat alles stilvalt eens het eerste kind er is, wat uiteraard niet goed is voor het tweede. Ik kreeg ook nog de waarschuwing dat ik niet mocht schrikken van de grote hoeveelheid mensen die bij de bevalling aanwezig zouden zijn: dubbel zoveel vroedvrouwen (4), een assistente, een stagiaire, de kinderarts, de gynaecologe en eventueel nog de anesthesist. En dan ook nog Pablo en ikzelf natuurlijk. Een tweelingbevalling was per definitie een risicobevalling. En ze stonden er alleen voor het geval het nodig was, maar wellicht waren ze overbodig.
Met mijn hand in Pablos hand werd ik naar de verloskamer gereden en het besef dat de kinderen er nu elk moment konden zijn was plots aan het groeien.
Daardoor werd ik van het ene moment op het andere buitengewoon nerveus, iets wat Pablo direct had gezien. Om één of andere reden had ik het idee dat ik niet zou kunnen persen. Dat leek me zoiets typisch voor mij: iets dat voor iedereen puur intuïtief duidelijk is, en dat mij absoluut niet zou lukken.
“Maar schat toch,”, zei Pablo, “zo heb ik je nog nooit gezien. Probeer je rustig te houden. Alle vrouwen kunnen dat, dat zal bij jou ook vanzelf wel gaan. En anders vraag je maar hoe het moet.”
Ik probeerde me angstvallig kalm te houden, maar het lukte niet.
“Probeer even zo verticaal mogelijk te zitten, zodat we de zwaartekracht zijn werk kunnen laten doen,” vroeg de vroedvrouw.
Met man en macht werd ik nog wat rechter gehesen, terwijl ik het gevoel had één en al buik te zijn, op het punt van ontploffen.
Terug achteruit werd ik gesommeerd om eens te proberen persen.
“Ik weet niet hoe dat moet,” klonk ik als een klein kind.
“Gewoon alles naar beneden duwen,” zei de vriendelijke maar kordate vroedvrouw. “En vooral heel hard duwen.”
En toen deed ik het gewoon, even persen, en het bleek juist te zijn. In één klap zag ik de bevalling helemaal zitten!
De gynaecologe kwam er ook bij, de monitor werd gecontroleerd, en toen was het wachten op persweeën.
“Ze voelt ze nog”, zei de vroedvrouw tegen de gynaecologe, alsof dat een hele prestatie van me was. En of ik ze voelde. Niemand moest me uitleggen wat het was, want al was de grote pijn dan weg, het was een gevoel dat mij vanuit mijn diepste vezels deed denken: ze moeten eruit!
En dus duwde ik van zodra ik ‘dat’ voelde, aangemoedigd door het ‘volhouden, volhouden’ van de vroedvrouw en het ‘goed zunne, goed zunne’ van de gynaecologe. Ik duwde maar en duwde maar, en Pablo, die vooraf geïnstrueerd was dat ik vermoedelijk behoefte zou hebben aan zijn hand op mijn schouder, had onmiddellijk door dat hij van me af moest blijven en ik me nauwelijks nog van hem bewust was.
Halverwege dat eindeloze duwen, zei de gynaecologe plots: “het heeft zwarte haartjes”, en ik ben zeker dat de mond van zowel Pablo als ik tot op de grond openviel. Daar was een echt mensje onderweg, al half in ‘onze’ wereld!!! En Pablo, die vooraf doodsbang was flauw te vallen door mijn pijn, de sfeer, de ellende, het bloed en al de rest dat er bij komt kijken, ging zowaar verheugd rechtstaan om van dichtbij te gaan kijken. Vóór de volgende perswee zag ik nog net zijn grote smile: ‘je kunt het echt zien!’
Ogenblikkelijk daarna voelde ik wat ik vooraf in de boekjes had beschreven zien staan als ‘het moment waarop het hoofdje staat’. Het is een ogenblik waarop je goed voelt hoe ‘alles onderaan’ op zijn allerwijdst staat en ‘iets’ het helemaal open drukt. Het lijkt alsof het hoofdje helemaal vastzit, niet meer voor of achteruit kan, en ook al heeft een geboortekanaal niets met een slokdarm te maken, toch voelt het ook als een stuk appel dat in je keel is blijven steken en je de adem beneemt. Niemand hoeft dan nog iets te zeggen. Je wil het gewoon weg, en van zodra de gynaecologe zei: “doe maar”, duwde ik met alle macht die ik vond. In één gulp voelde ik toen een ontzettend warm en glibberig wezentje uit mij glijden, met de plop die ik alleen van geboortes van dieren ken, maar die blijkbaar ook bij de geboorte van mensen te horen is. Het kleine ding hing even helemaal onbeschermd in de lucht, de oogjes al zo ontzettend open, en werd toen onmiddellijk bij mij op de borst gelegd, alsof het altijd al van mij was geweest, ook al was deze kleine baby ons nog zo onbekend. De emoties overspoelden alles: het lijfje dat zo enorm, intens en gloeiend warm was, zoveel warmer dan ik had kunnen voorspellen, en anders warm dan alle warmte die ik kende. Dit was een natte, glibberige warmte, die mij enkel een glimp kon geven van de heerlijk zoete, warme poel waar mijn kind al die tijd was geweest, en nu zo onverwacht was uitgerukt. Zo instinctief en primitief als het maar kan zijn, kon ik alleen maar ruiken en snuffelen, de pure geur van mijn kind in mij opnemen. Het was de geur van diep in mij, en de geur die mijn kind vanaf nu zou hebben. Van alle herinneringen is dit de sterkste: die warme, natte, zoete, zilte, diepe, pure, heerlijke geur. Kijken deed ik ook, maar het kijken volgde de geur. De geur kwam bovenal eerst, instinctief en dierlijk.
Ik was overdonderd, en toch was het ook compleet zoals ik had gedacht: die kleine baby, die mij onmiddellijk aankijkt, vol vertrouwen leek het wel. En van zodra ik wat suste en ‘stil maar, het is in orde, het is voorbij’ zei, werd het kindje stil en bleef rustig liggen kijken. Interpretatie, ik besef het goed, maar dit was een kind dat onmiddellijk graag bij ons leek te zijn en ik merkte dat ik in navolging van alle clichés alleen maar kon huilen, en strelen, en Pablo kussen, en zeggen: “liefste, het lijkt zo op jou!”. Kortom, we waren compleet overdonderd, en wisten van de wereld niet meer.
“Hoe heet het?”, vroegen de vroedvrouwen, die blijkbaar kleertjes aan het klaarleggen waren. En compleet verrast besefte ik: ik weet nog helemaal niet of het een meisje of een jongen is?! Ik keek naar Pablo, en die zei ook niets, en toen zat er niets anders op dan tussen de beentjes te kijken. “Elien”, zei ik verbaasd, “het is Elien!” en ik voelde me zo vreemd opdringerig toen ik het zei, en kon niet vatten waarom. Dit kind was ons pas geschonken, het was een nieuw wezen waarvoor we alleen maar danku konden zeggen, en het leek onbeschaamd om het een naam, een stuk van onszelf op te leggen. Het leek alsof we het al een bestemming en karakter gaven, terwijl ik ons kind net de kans wou geven om te worden wie het was, nu al, in zijn piepkleine babyverpakking. Maar het was dus Elien, en we konden alleen opgelucht zijn dat de tweede jongensnaam, die we eigenlijk nooit hadden gevonden, niet moest worden gebruikt.
Terwijl ik Elien aan het koesteren was, had ik een heleboel heel pijnlijk geduw op mijn buik gevoeld. Daar waren twee vroedvrouwen en de gynaecologe er met alle macht voor aan het zorgen dat ons tweede kindje zich niet opnieuw zou draaien of weg gaan zwemmen. Andere vroedvrouwen en de kinderarts kwamen Elien bij me halen en ik zag tot mijn verbazing hoe een groot deel van mijn buik slappe huid was geworden, en een ander deel een nog strakke, maar veel kleinere bol.
“Hij komt van hoog”, wist de gynaecologe te vertellen, “het is even wachten tot hij de weg naar beneden vindt.”
“Ga maar eens naar je dochter kijken,” werd Pablo aangespoord, en terwijl hij leek te glunderen bij de woorden “je dochter’, wist hij ook niet wat hij moest doen, omdat ik daar nog lag, en vermoeid was en pijn had.
“Ga maar”, zei ik, “ze zullen je wel roepen als het opnieuw begint”.
Week van emoties en geleverde inspanning moet ik mij iets hebben voorgesteld als compleet uitgeput achterover in de kussens zakken, maar nauwelijks was Pablo naar Elien gaan kijken of ik voelde opnieuw persweeën komen. Ik hoorde de kinderarts net op dat moment zeggen dat Elien maar 2,3 kg woog, maar het wel op alle vlakken goed deed en het van de andere baby zou afhangen of ze in de couveuse moest. Ik wou toen bij Elien zijn, ik bleef maar naar de kamer links kijken waar ze haar aan het aankleden waren, maar in mijn buik begon alles opnieuw te leven, een grote plets warm water viel langs mijn dijen naar beneden, en nog voor de kinderen er waren moest ik mijn aandacht al tussen hen verdelen. “Persen”, riepen de vroedvrouw en de gynaecologe, en ik perste alsof ik een vodje was dat alleen maar een drupje water naar buiten moest brengen. “Harder” klonk het, en ik besefte dat ik de techniek kwijt was. “Niet met je heupen bewegen!”, “Naar beneden!”, maar de perswee was voorbij. Na een ogenblik rust hervond ik af en toe opnieuw de techniek, maar bijna de hele tijd was ik luidop aan het zeggen: “het gaat niet meer”, “ik kan het niet meer”. Niemand had me verteld dat het zo moeilijk zou zijn om me nog op een tweede bevalling te concentreren als de eerste baby er al was.
Maar hoewel ik het onmogelijk vond, kwam ook hier het moment dat de gynaecologe kon zeggen: “Deze heeft ook donkere haartjes! Wil je het zien?”. En terwijl ik had gedacht dat ik dat niet zou willen, liet ik met plezier een spiegel aanrukken en zag effectief een klein mensenhoofdje uit mezelf komen. Ik vond er onvoorstelbaar veel moed uit, en perste de volgende perswee perfect. ‘Het hoofdje dat stond’ voelde even ongemakkelijk als bij Elien, maar ik had het geduld héél even te wachten zodat de gynaecologe de navelstreng kon checken en perste daarna met het laatst van de krachten een nieuwe warme, zachte, natte plof naar buiten. Ik heb toen niet meer opgekeken, want ik wist meteen: dit is ons zoontje. Ook hij werd op mijn borst gelegd, even zalig warm en glibberig als zijn zus, maar duidelijk veel groter; een reus leek hij in mijn ogen. Huilen deed hij een beetje klagerig, en af en toe ging één van beide oogjes open, met een moedeloze blik naar het licht, en dan werden de oogjes fijn op elkaar geknepen om nog een beetje verder te huilen. Ik wou hem troosten, maar hij leek ook zo lief met die huiltjes.
Ook Sam werd toen gewogen (3,2 kg) en Pablo ging nu met veel plezier meekijken naar zijn kinderen. Daarna kreeg ik Elien terug bij mij, terwijl ik de pijn doorstond van de nageboorte (illusie of werkelijkheid dat die zoveel meer pijn doet dan een bevalling?)
Toen kwam Pablo terug met Sam in zijn armen; de eerste baby ooit die hij vasthield, maar het was alsof hij nooit anders had gedaan.
“Ik heb Sam nog niet echt vastgehad”, zei ik, “zullen we even wisselen?”, waarop we de baby aan elkaar aanreikten en tot de vaststelling kwamen dat we geen handen vrij hadden om de ene baby te nemen, terwijl we de andere doorgaven. Een vroedvrouw moest er aan te pas komen om Elien even vast te houden, terwijl ik Sam van Pablo overnam en Pablo toen Elien van de vroedvrouw kreeg.
Hier waren ze, onze zoon en dochter. Een half uurtje daarvoor waren we nog gewoon Pablo en Mieke. Nu waren we een heel gezin.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten