dinsdag 10 juni 2008

De eerste zwangere maanden...

Maar veel vechten moest ik niet. Nauwelijks een paar dagen later drong de eerste ochtendmisselijkheid zich op. Nog enkele dagen daarna schreef ik een vriend: ‘Degene die het woord ‘zwangerschapskwaaltje’ heeft uitgevonden, kan alleen maar een man zijn geweest. Misselijkheid die voelt alsof je organen van plaats zijn gewisseld, braakneigingen alsof de mens niet gemaakt is om te eten, en vermoeidheid die zwaarder weegt dan een stapel van dertig vrachtwagens bovenop mijn schouders kunnen allesbehalve als een ‘kwaaltje’ worden omschreven. Het is een marteling, een slepende foltering, waarvan het moeilijkste nog lijkt dat je er niet over kunt klagen want de oorzaak is het mooiste wat je ooit is overkomen.’
Opstaan was van toen af aan een haast onmogelijke taak waarbij elke vezel in mijn lijf smeekte om te mogen blijven liggen. Om de trein te nemen en tot op het werk te geraken moest ik elke driedubbelwegende kilo van mijn lichaam met titanengeduld vooruit slepen en eens op mijn werk aangekomen was ik een geradbraakte hoop mens die alleen nog kon bekomen van de tocht naar het werk. Heel snel kon ik niet meer anders dan een dagje verlof vragen, en toen nog een dagje, en zelfs eens een paar dagen naéén. Die eerste keer moest de dokter mij nog geruststellen dat ik echt niet overdreef en het heel normaal was dat ik nood had aan wat rust. De volgende keren deed ik al geen moeite meer tot excuseren en vroeg ik me alleen nog maar af hoe ik het na die paar dagen ziekteverlof weer zou redden. De nachten namen toen al minstens 12 uur in beslag, en ook tijdens de dag viel ik makkelijk een uur in slaap en werd zelfs van slijpschijven en klopboren niet wakker. Misselijkheid en honger wedijverden voortdurend met elkaar en brachten mij in een staat van verwarring waarin de kilo’s alleen maar verdwenen in plaats van erbij kwamen. Ik wist niet dat een mens zo ziek kon zijn, en ik kan me onmogelijk voorstellen dat ik me ooit nog zo ellendig zal voelen. De blik van Pablo was dan ook navenant: Houdt dit nog op? Is dit nog Mieke? Ik zag het hem zo denken, maar was zelfs te ellendig om hem erg veel gerust te kunnen stellen. Ik kon immers zelf niet geloven dat er ooit een einde aan zou komen. 12 weken, zegden de boekjes, maar zelfs dat was een mijlpaal die mij onhaalbaar veraf leek.
Gember, een koekje bij het opstaan, regelmatig kleine hapjes, het hielp allemaal geen zier. Alleen toen mijn mama op een dag met soep voor de deur stond ontdekte ik voor het eerst de kracht van bouillon, zoals oude verhalen dat steevast beschrijven, en voelde ik een kracht door mijn lichaam stromen waarvan ik al vergeten was dat die bestond. Gewapend met tientallen kleine potjes soep, allen door mijn mama liefdevol bereid, herwon ik een heel klein beetje kracht en moed, en later hielp gek genoeg ook puree. En zo zijn we dan toch naar de 12 weken geëvolueerd. En zoals de zon die door de wolken breekt, zo brachten die 12 weken mijn oude zelf terug, ruim 5 kilo lichter, maar weer helemaal klaar om er tegenaan te gaan.

Tijdens die zieke weken hebben Pablo en ik ons ook toegelegd op een nieuwe sport: verhullen dat ik zwanger ben zonder dat het opvalt dat we iets proberen verhullen. Het is immers niet echt gebruikelijk om vóór de eerste 12 weken om zijn te vertellen dat je zwanger bent. Waarom is niet echt duidelijk. ‘Voor het geval het mis zou lopen’, is de traditionele verklaring. Alleen: zou je net op dat moment de steun van familie en vrienden niet kunnen gebruiken? Of zouden we met rust gelaten willen worden? We namen het zekere voor het onzekere en vertelden, behalve aan ouders, broers en zussen, niets.
Op slinkse wijze helpt dit verzwijgen je beseffen dat je zwanger bent. Net door niet over het kindje (de kinderén) te spreken, lijk je te bevestigen dat het er is. Je stapt in een speciaal soort geheimzinnigheid die op dat moment veel tastbaarder is dan het kind in je buik. En je treedt bovendien ook onbewust toe tot de tot dan toe nog zeer mysterieuze groep van vrouwen die een kind verwachten. Want dat is het gekke: hoezeer het krijgen van een kind ook een persoonlijke wens is, eens de wens vervuld, verwordt je onmiddellijk tot ‘één van hen’. Zelfs nu, nauwelijks 3 maanden na bevruchting, ben ik één van hen, behoor ik als het ware tot een clubje. Met alle opbollende buiken die ik rondom mij zie, voel ik mij verbonden, terwijl de kans heel groot is dat ik aan de toekomstige mama in kwestie zónder dikke buik een grote hekel zou hebben.
Maar tijdens de voorbije weken zwegen we dus tegen vrienden en verre familie en worstelden we met existentiële problemen als: hoe vermijd ik het om wijn te drinken zonder dat het opvalt dat ik geen wijn drink. Geen makkelijke opdracht voor een notoire wijnliefhebber als ikzelf. De oplossing die we hadden gevonden was dat ik me wel wijn liet inschenken, maar mijn glas zodanig positioneerde dat Pablo het zou kunnen leegdrinken. In de geanimeerdheid van onze gesprekken zou dat wellicht niet opvallen.
Tijdens een avondje bij een vriendin, dat ik ondanks de misselijkheid toch aanvaard had, pufte ik tijdens de aperitief van zogenaamde warmte en vroeg ‘iets fris tegen de dorst’ in plaats van de aantrekkelijke mochito. Tijdens het eten liet ik me rode wijn in schenken, zette het glas af en toe gewoon tegen mijn lippen, en liet Pablo het ondertussen leeg drinken. Mijn vriendin dronk die avond ook geen wijn, dus het viel niet zo op dat ik maar weinig dronk.
Toen ik in al mijn ziek-zijn haar doctoraatsverdediging was vergeten, stuurde ik vol schaamte een email met verontschuldigingen en de mededeling ‘dat ik echter wel een goede reden had’. Daarop kwam haast onmiddellijk een bericht terug: “Mieke, heb jij iets te vertellen dat ik ook te vertellen heb?”
Ik stond paf. “Als ik op jouw drankgebruik tijdens het laatste etentje mag afgaan, ja?”
En ja dus! Ze was gewoon twee weken langer zwanger dan ik! En geen van beide wist dat de ander ook zo’n nabije kinderwens had!
“Had je dan niet gemerkt dat Pablo mijn glas wijn uitdronk?” vroeg ik nog.
“Nee”.
“Hij voelde zich nochtans een beetje dronken door zowel zijn als mijn glazen leeg te drinken”, zei ik.
“Dus daarom wou hij geen tweede glas meer!”, kwam er onmiddellijk een antwoord terug. “En wij ons maar afvragen of de wijn dan werkelijk zo slecht was dat Pablo geen tweede glas meer wou!”

Geen opmerkingen: